Is er een grens aan de vrijheid van meningsuiting

Over aanzetten tot haat etc..

Buiten de context van het carnaval in Aalst verspreiden karikaturale Joodse koppen meestal een antisemitische boodschap. Binnen de context van het carnaval moet je ze vooral niet serieus nemen.

20-02-2020

Voor de wetteksten zie deze pagina

Je mag eender welke mening hebben. Ook de vuilste, vreselijkste, discriminerendste, beledigendste die je maar kunt denken. Pas als je je mening gaat uiten (d.w.z. uitspreken of uitdrukken middels een handeling, daad, gebaar…) wordt het ingewikkelder.
1. Zolang je het privé doet (besloten kring) zijn er geen grenzen behalve die je privé-kring zelf stelt. Anders gezegd: daar is het een kwestie van ‘fatsoen’ en ‘etiquette’: Dat zeg je toch niet; zoiets doe je toch niet, etc. Ieder mens leeft binnen een ‘moreel universum’: do’s and don’ts van de ingroup.1 Investeren in een ‘sound’ moreel universum (goede opvoeding, onderwijs) is dus essentieel voor een goede samen-leving en zal meer impact hebben op het samen-leven dan juridische correctie achteraf.
2. Ga je je mening in het openbaar uiten, dan kan de wetgever in actie komen om te voorkomen dat de ‘clash of opinions’ uit de hand loopt en schade berokkent aan een burger. Belangrijk daarbij is dat de rechter pas achteraf mag optreden. Er moet m.a.w. eerste iets gebeurd/gedaan/gezegd zijn dat lijkt op een overschrijding van een juridische grens (gesteld door bijv. de anti-discriminatiewet). Hierbij speelt het schade-principe, het kwaad opzet en de context altijd een doorslaggevende rol: Dus: Wordt er in dit concrete geval iemand opzettelijk geschaad.

Belangrijke termen/begrippen

aanzetten tot discriminatie, haat of geweld

‘Aanzetten tot’ betekent anderen aansporen, oproepen, aanstoken om iets te doen dat mensen schade berokkent. De mogelijke begrippen zou je in dit geval beter door de werkwoorden vervangen: Door de manier waarop jij jouw mening verkondigde, gaan sommigen misschien effectief andere mensen discrimineren (op grond van geslacht, huidskleur, ras…), of beginnen jouw volgers/toehoorders gevoelens van haat te ontwikkelen jegens andere mensen (homo’s of moslims bijv.) of gaan over tot geweld tegen een bepaalde groep.

tegen anderen

De actie die strafbaar is, moet gericht zijn tegen andere mensen, d.w.z. individuele personen of groepen. Algemene kritiek op bijvoorbeeld een politieke overtuiging, godsdienst of levensbeschouwing valt hier dus niet onder.

In het openbaar

Zoals gezegd gaat het niet om meningen in de ‘privé-sfeer’, maar in de ‘openbare ruimte’. De definitie hiervan is echter behoorlijk ruim tegenwoordig (NB: het is de rechtspraak in concrete gevallen die dit bepaalt). Ze omvat zo ongeveer alle reële plaatsen waar meer mensen dan dader en slachtoffer aanwezig zijn. Ook wordt de verspreiding van gedachten via mediakanalen (papieren en digitale teksten, e-mails, sociale media) geacht in de ‘openbare ruimte’ plaats te vinden.

doelbewust

Doelbewust betekent dat de dader opzettelijk en actief aanspoort tot discriminatie, haat, geweld of segregatie. Anders gezegd: hij zegt/doet bedpaalde dingen met de bedoeling om te discrimineren, de haat te doen toenemen, geweld uit te lokken, groepen tegen elkaar op te zetten…

om een welbepaalde reden

Hier wordt het tricky want de ‘welbepaalde’ redenen moeten we in andere wetgeving zoeken en daar komt veel casuïstiek bij kijken (vonnissen per geval). De Antiracismewet en de Antidiscriminatiewet noemen samen maar liefst negentien ‘gebieden’ (aspecten) waar dit zou kunnen voorvallen. NB: steeds gaat het erom dat rond dit aspect er actief, doelbewust aangespoord wordt tot haat, geweld, of segregatie, in het openbaar De onderwerpen zijn dus op zich helemaal niet taboe. Integendeel: het zijn hot items. Vandaar…

  • ras (beter: wat men ‘ras’ noemt)
  • afkomst
  • huidskleur
  • nationaliteit
  • nationale of etnische afstamming
  • leeftijd
  • geboorte
  • vermogen
  • burgerlijke staat
  • politieke overtuiging
  • syndicale overtuiging
  • seksuele geaardheid
  • taal
  • handicap
  • sociale afkomst
  • geloof of levensbeschouwing
  • fysieke of genetische eigenschap
  • huidige of toekomstige gezondheidstoestand

Nog drie grensoverschrijdingen

  1. Denkbeelden verspreiden over rassuperioriteit of rassenhaat.
    Dat lijkt me duidelijk genoeg. Dat hoeft m.i. niet apart genoemd te worden.
  2. Behoren tot of meewerken met een groep of vereniging die herhaaldelijk discriminatie of segregatie verkondigt.
    Ook hier geldt dat het gaat om een ‘bewuste keuze’ van de dader en de vereniging in kwestie moet in het openbaar doelbewust acties in de genoemde zin ondernemen. Hier is het strafbaarstellen van ‘lidmaatschap’ het nieuwe element.
  3. Negationisme
    In het openbaar de genocide door het Duitse naziregime tijdens de Tweede Wereldoorlog ‘ontkennen, goedkeuren, schromelijke minimaliseren, of rechtvaardigen’

Persoonlijke opmerking (Dick Wursten)
De laatste bepaling rond de shoah (meestal ‘holocaust’ genoemd. Ik houd niet van die term. holocaustus = brandoffer) is ‘the odd one out’, d.w.z. hier vindt geen begrenzing van de vrijheid van meningsuiting plaats omdat ‘concrete anderen doelbewust schade wordt berokkend‘ (dat is toch the bottomline van alle eerder genoemde inperkingen); neen, hier wordt een selectie van meningen die te maken hebben met een historisch feit (de ‘shoah’) strafbaar gesteld. Door deze uitzondering te maken ontstaat er willekeur. Waarom deze meningen ten opzichte van dit specifieke feit wel, en waarom andere niet, d.w.z. De Armeense genocide? De Rwandese genocide? Wat is er zo uniek aan de shoah dat… Ik zelf ben van mening dat de shoah wel degelijk uniek is, maar vind dat het debat daarover op een ‘open’ (wetenschappelijke) wijze moet kunnen worden gevoerd, d.w.z. met woord en wederwoord, gebaseerd op argumenten en onderzoek.

Laat je gezicht zien opdat ik van je kan houden…

Erdal Balci, de Volkskrant, 13/8/2019 – ingekort

Image result for erdal balci
Erdal Balci (schrijver en journalist)

Chuck had op het onbewoonde eiland, waar hij na een vliegtuigcrash was gestrand, zolang met de stok op het houtstukje gewreven dat zijn hand ging bloeden. Hij drukte zijn bloed op de volleybal, voorzag de bal van een gezicht door er twee oogjes, een mond en twee wenkbrauwen op te tekenen, noemde het ding Wilson en ging vervolgens van hem houden.

Zo gaat het in de film ‘Cast Away’. Boerkadraagsters doorlopen exact het tegenovergestelde proces. Hun gezichten worden vakkundig weggewist, met als doel de liefde uit hun buurt te houden. Een boerka is niet zomaar een door religie voorgeschreven kledingstuk. Die zwarte stof voor het gezicht van de dames is een nooit eindigende quarantaine van de ziel. Immers, het gezicht is de geest, het gemoed, de spiegel van het innerlijk, de weergave van de psyche, de spil waar het allemaal om draait. Bij het dier, bij de mens en als de omstandigheden er naar zijn, zelfs bij een volleybal. De bedekking daarvan heeft tot doel de vrouw zodanig te kleineren dat ze uit zichzelf afstand doet van haar persoonlijkheid en haar identiteit. De vrouw wordt daarmee gereduceerd tot een ‘gezichtloze’, een nieuw soort wezen dat in de hele natuur niet voorkomt.

Troubadour Karacaoğlan uit de 17de eeuw kwam tijdens zijn rondzwervingen in het toenmalige Anatolië een vrouw tegen die haar gezicht achter een nikab had verborgen, hij kon zich niet inhouden en smeekte in een liedje om een glimp van haar gezicht: ‘Suiker en honing aan je tong en je tanden, zwart je wenkbrauwen als halve manen, laat mij de parelketting zijn aan je borst, in godsnaam toch, laat je gezicht zien.’

In een buitenzwembad in Ankara beleefde ik zelf ook die emotie die de Turkse troubadour al eeuwen geleden aanzette tot een smeekbede. In dat zwembad ging het om een gezin uit Saoedi-Arabië dat bij het water verkoeling zocht tegen de verzengende hitte. Manlief en kinderen deden zich heerlijk tegoed aan dat water terwijl de moeder in boerka hen voorzag van frisdrank en broodjes. Ik verliet het zwembad, omdat ik de Turkse kranten niet wilde halen met het bericht over een Nederlandse correspondent die in een vuistgevecht verwikkeld is geraakt met Saoedisch ambassadepersoneel.

Om terug te komen op de volleybal ‘Wilson’ in de film ‘Cast Away’: Na vier jaar op het onbewoonde eiland lukt het Chuck om een vlot te bouwen en de oversteek naar huis te wagen. Tijdens die reis valt Wilson in de zee en ondanks alle pogingen van Chuck, drijft de bal met de mond, de oogjes en de wenkbrauwen weg van hem. Hartverscheurend is dan het huilen van Chuck die door een gezicht te tekenen op een bal van dat ding niet alleen een metgezel voor hemzelf heeft gecreëerd, maar de bal als het ware ook een ziel heeft ingeblazen.

Ik ben het dan ook niet eens met de argumentatie van veel geestverwanten die stellen dat de boerka de draagsters ervan ontmenselijkt en daarom verboden moet worden. Ontmenselijkt zijn degenen die na het zien van die vrouwen nog steeds in termen van de ‘vrijheid van religie’ kunnen denken. De vrouwen in boerka hebben niets aan de solidariteit van de verschrikkelijke onverschilligen. Ze hebben eerlijke mensen nodig die weten dat je in sommige gevallen niet om een verbod heen kunt. Een gezonde gemeenschap hebben ze nodig die zegt: laat je gezicht zien, in godsnaam, opdat wij van jou kunnen houden.’


Opmerking (Dick Wursten): Ik moest bij het lezen van deze column denken aan Emmanuel Levinas die het gelaat van de ander beschouwt als het ‘eerste woord’ dat de ander tot mij spreekt – zonder iets te zeggen – en zo de ethische relatie van mens tot mens in het leven roept (aanspraak, appèl). Hij beschouwt dit als een ‘expérience absolue’. Zonder ‘face-to-face’ is het mens-zijn als mede-menselijkheid niet mogelijk.

Spotprenten en cartoons

Spotprenten zijn altijd populair geweest in de communicatie over levensbeschouwelijke issues. Ze raken namelijk het gevoel en – ookal geloven theologen dat niet – ook religie is eerst een kwestie van gevoel, dan pas van opvattingen. Het belangrijkste gevoel: loyaliteit aan de groep, trouw aan de god. Daarom doen spotprenten pijn. Hieronder twee uit de beginjaren van de Reformatie.

Eén uit de directe omgeving van Luther (Lucas Cranach, de ondernemer-drukker-graveur-schilder van Wittenberg), de ander uit de groep van Luthers’ tegenstanders. De eerstgenoemde borduurt voort op een anti-pauselijke prent over een ‘gedrocht’ dat ooit zou zijn aangespoeld in Rome, vlakbij de Engelenburcht. Een vrouw met een ezelskop en allerlei dierlijke extremiteiten. Pure fantasie natuurlijk, maar fake news floreert als er groepsidentiteiten moeten worden bevestigd/beklad. De Luthersen zagen hierin een teken van God, en de ezel kreeg de naam ‘Bapstesel’: paus-ezel. Men zag er een allegorie in van de roomse kerk. Dat het hoofd van die kerk een ezelskop is kwam goed uit…

De tweede is een afbeelding van Luther, die – volgens de rome-getrouwe gelovigen – natuurlijk niet iemand kan zijn die ‘vragen stelt’ die misschien wel ergens op slaan. Natuurlijk niet, dan zou je moeten gaan nadenken over de status quo en dat leidt alleen maar tot revolutie. Neen, die Luther is een instrument in de handen van de duivel: Luthers kop (nog als monnik, met tonsuur) is een doedelzak die de duivel gebruikt om de mensen naar ‘zijn pijpen te laten dansen’.

 

 

Life is like a cup of tea

Around the turn of the century a newly ordained rabbi was sent out from his yeshiva on the lower East Side of New York to become the first rabbi to minister to a congregation in Alaska. His old teacher bid him farewell, blessed him, and said, “And remember, my son, always remember—life is like a cup of tea.
The young rabbi went out to Alaska, and he was very busy there, but every now and again he would think of what his teacher had said, and he would wonder what this saying meant. After seven years his congregation let him take a vacation. He went back to New York, visited the yeshiva, and went to see his old teacher. “I’ve always wanted to ask you this,” he said. “When I left the yeshiva, when you gave me your blessing, you said to me— ‘life is like a cup of tea.’ Tell me rebbe, what did you mean?
Life is like a cup of tea?” asked the old man. “I said this?
Yes, you did. What did you mean?” The old man thought for a while, then he said, “Nu, maybe life is not like a cup of tea.

[gelezen in Peter L. Berger, Redeeming Laughter: the comic dimension of human experience (1997), p. XV]

Proost!

Deradicalisering die wèrkt…

Er zijn grosso modo vier manieren om ongewenste ideologieën te bestrijden:

  1. Directe confrontatieYou’re wrong, I’m right!
    „Dat was de Amerikaanse methode direct na 9/11. Ze hadden filmpjes waarin je allemaal terroristische explosies zag, eindigend met de vraag: ‘Is dit wat je wilt?’ Het aantal nieuwe terroristen schóót omhoog.”
  2. Afleiding – je moet mij niet aanvallen, maar hem. „Heel effectief gedaan in de ‘Sunni Awakening’ in 2007, toen de internationale coalitie erin slaagde soennitische stamhoofden in Irak te overtuigen dat Al Qaeda een gevaarlijker vijand was.”
  3. Verschuiving – uitdragen dat je niet alleen een goede moslim kunt zijn in de strijd, maar ook door hulp te bieden.
  4. Dissolution – oplossing, ontbinding van emoties die extreme overtuigingen en handelingen aanwakkeren.

Dit laatste is de manier die David Kenning propageert, èn volgens hem de enige die ècht werkt. Drie fragmenten uit het interview vindt u hier. Hieronder enkele van zijn – controversiële – opvattingen:

  • De oorzaak van extremistisch geweld is niet van belang voor de bestrijding ervan. Mensen krijgen een identiteit mee van ouders, vrienden, gemeenschap. En soms zit die identiteit niet lekker en gaan mensen opzoek naar een nieuwe. De propaganda van IS is toegesneden op dit dilemma. Hoor je nergens bij? Dan mag je bij ons horen. „In deze wereldwijde band of brothers krijgt de zelfmoordaanslagpleger een nieuwe identiteit.”
  • Je kunt geen invloed uitoefenen op de factoren die leiden tot extremisme. „We kunnen hem zijn vriendinnetje niet teruggeven, de pijn niet wegnemen van zijn vader die hem sloeg, zijn baas niet dwingen moslims aardig te vinden. We kunnen de spanningen die worden veroorzaakt door het westers buitenlands beleid niet wegnemen.”
  • Het is zinloos om zijn religieuze overtuigingen tegen te spreken – dat neemt hij toch niet van ons aan. „Tegen de tijd dat de overheid deze jongeman tegenkomt, hebben deze factoren hun werk al gedaan. Wij kunnen dus alleen nog maar wat met zijn geest. Die kunnen we weerbaar maken, open voor twijfel en voor andere ideeën.”
  • Het gekke van identiteit, zegt Kenning, is dat het bijna belangrijker is hoe de ander je aanspreekt dan hoe je naar jezelf kijkt. Hij zelf is opgegroeid in Noord-Ierland en dateert van vóór de gewelddadigheden losbarstten: „Wij voelden ons geen protestanten, maar de anderen gingen ons als protestanten zien.” Dit is volgens hem het voornaamste doel van Al Qaeda’s aanslagen van 11 september: verdelen, polariseren, radicaliseren.

Meer dus op deze pagina of het hele interview op nrc.nl (als het niet achter de betaalmuur zit)

Geef het onderwijs maar weer de schuld…

Niet het onderwijs faalt, maar de ‘menselijke soort’ schiet structureel tekort als het op sociaal gedrag aankomt. Met de vinger wijzen helpt niet…

Er kan geen samenlevingsprobleem in de media aan bod komen , of al spoedig klinkt het: ‘Ons onderwijs faalt‘… Maakt niet uit of het over het gebrek aan burgerschap gaat, of over godsdiensttwisten, of over radicalisering, racisme of seksuele vooroordelen. Altijd krijgt het onderwijs de schuld, meestal gevolgd door een oproep voortaan beter hun best te doen. Opgeheven vingertjes van stuurlui aan wal, die het natuurlijk altijd beter weten.

[…. schreef ik gisteren 4/9/2017, vandaag 5/9/2017 in De MORGEN, op p. 12-13: drie ervaringservaringsverhalen van jongeren over racisme op school met de stereotiepe kop.]

Ik ontken natuurlijk niet dat er enorme problemen zijn in de samenleving, en dus ook in het onderwijs. Een leraar die uit de bocht gaat (‘Zwijg, neger!”) is natuurlijk fout. Onbeschoft, zou ik zeggen. Een ‘beschavingstekort’. De schuld van die problemen bij het onderwijs leggen, is naast de kwestie. Zo machtig is de school niet en leraren zijn ook maar mensen en geen heiligen. Zo’n analyse (enfin, dat is teveel eer, het is maar een mening) opent dan ook geen zinvolle handelingsperspectieven, maar dekt de werkelijke stand van zaken toe. De problemen zitten veel dieper. Mw. Consuegra merkt dit terecht op in haar opiniestuk op p. 2: Het gaat niet over “rotte appels, maar diepe wortels…”. De mens discrimineert, altijd, en ook als hij het niet wil, doet hij het onbewust toch. Zij trekt echter de consequenties niet, namelijk dat we verder moeten kijken dan het onderwijs en de maatschappelijke opvoeding alleen. We moeten beginnen met de erkenning dat de mens als sociaal wezen faalt, d.w.z. structureel tekortschiet. Hij is genetisch, neurologisch, van nature of hoe u het ook noemen wilt, ‘not equipped’ om te leven in een hyperdiverse groep  – zie onder voor een basale uitwerking). Dieper kijken betreft echter niet alleen de schuldvraag (of beter: de vraag naar de oorzaak), maar dus ook de (on-)mogelijkheden tot remediëring. Maar eerst nog even iets over de rol van de school hierin.

School is geen opvoedingsinstelling

De school kan de opvoeding van de kinderen niet overnemen. Opvoeden moeten ouders doen en daarna is het vooral aan de groep waarin ze leven en zich bewegen (peer-group, breder: subcultuur, wijk/buurt). De school kan hoogstens proberen bij te sturen en doet dat meestal ook (- zij het soms wanhopig: ‘Als ze de schoolpoort uit zijn’ zo hoorde ik een leerlingenbegeleider ooit zeggen, ‘zijn ze alles weer vergeten’). Dat brengt mij dan bij een ander punt: Die opvoeding is niet haar kernopdracht. Een school is en blijft een onderwijsinstelling, geen opvoedingsgesticht. De pedagogische effecten van onderwijs en het ‘samenleven op school’ zijn er natuurlijk wel, maar die werken enkel omdat ze neveneffecten zijn. De schoolcultuur, de sfeer, de omgangsregels, die bepalen dat. Ja, het schoolreglement. Natuurlijk is ‘burgerschap’ belangrijk en moeten ‘sociale vaardigheden’ aangeleerd worden, maar dat laatste kan toch echt enkel en passant gebeuren (altijd dus, maar bijna nooit expliciet, laat staan als vak) en van dat eerste (‘burgerschap’) heeft iedereen z’n mond vol, maar ook dat is iets zeer complex, lastig onderwijsbaar, een attitude. Je kunt toch moeilijk een toets geven waarin je ‘goed gedrag’ meet. Als daar in mijn jeugd punten op werden gegeven dan was dat cijfer een vertolking van een algemene impressie. Je kunt de theorie ervan onderwijzen (maatschappijleer heette dat vak toen ik school liep. Het was in competitie met met ‘godsdienst’ om de titel: minst relevant), en het lijkt me niet meer dan logisch dat er eindtermen in deze zin worden geformuleerd? Maar verwacht er nu ook weer niet teveel van. Een misdadiger weet ook wel dat wat hij doet niet mag, maar hij doet het toch…

Niet het onderwijs faalt, maar de menselijke soort

Ik stel dus voor om de dingen bij de naam te noemen. Niet het onderwijs faalt, maar de ‘menselijke soort’ schiet ernstig tekort als het op sociaal gedrag aankomt. De mens is klaarblijkelijk van nature geneigd om sociaal te zijn voor z’n eigen mensen. Enkel de in-crowd kan op compassie en inzet rekenen, de rest moet maar afwachten hoe de bal rolt, de pet staat. Gelukkig valt het vaak mee. De in-crowd is flexibel, ze kan groeien in de loop van een mensenleven. Maar dat gaat niet vanzelf. Daar moet aan gewerkt worden, niet door te ‘preken’ en met opgeheven vingertjes. Neen, hij moet ‘geraakt’ worden, ervaren dat er meer ‘wij’ is dan hij aanvankelijk dacht. Dus niet via rationele redeneringen, maar via beleving. Als die negatief is, d.w.z. als men uitgescholden wordt voor neger op school (daarom is dat voorbeeld onthullend: één negatieve ervaring onthoud je een leven lang), of als men wordt afgeblaft door een groepje Noord-Afrikanen in de tram (ook hier is één ervaring genoeg om…), dan zijn alle positieve woorden over inclusiviteit een slag in de lucht. In een samenleving waar de diversiteit tussen groepen alleen maar toeneemt (ik sta niet te juichen als ik de samenleving al maar cultureel diverser zie worden. Voor mij staat dat gelijk met ‘ze valt steeds verder uit elkaar’), moet dit voor ieder weldenkend mens een aandachtspunt zijn, altijd, overal en dus ook op school. In die volgorde. Anders scheurt het sociale weefsel nog verder. 

Het is tijd voor een ‘Erziehung des Mensengeschlechts’ 2.0

De remedie zal dus ook niet van de school alleen kunnen komen, zeker niet wanneer de pedagogische visie van de school niet door de samenleving wordt gedragen en in de samenleving voorgeleefd. ‘Woorden wekken, voorbeelden trekken’,  zeiden we vroeger. De mens-als-gemeenschapswezen die een grotere diversiteit kan omvatten dan enkel de eigen groep zal zichzelf moeten uitvinden. Het is niet anders. Een beschavingsopdracht van jewelste. De school kan en zal en wil haar steentje zeker bijdragen in dit opvoedingsproject, maar kan dat enkel als mensen ook buiten school voelen dat ‘het klopt’. Het gevoelsleven is ondeelbaar. In dat nieuwe samenlevingsbrede ‘pedagogische project’ zal – anders dan vandaag – de complexiteit en de onaangepastheid van de menselijke soort op niet moraliserende wijze moeten worden geïntegereerd, anders wordt het een luchtkasteel. Kortom: tijd voor een nieuwe ‘Erziehung des Menschengeschlechts‘ (Lessing). Denken dat je met minder toekomt, of dat de school het wel zal oplossen, is jezelf blaasjes wijsmaken. In the meantime: Stoppen met zwartepieten, de problemen aanpakken waar ze zich stellen, en samen met alle – feilbare – mensen van goede wil blijven werken aan samenlevingsopbouw.

Dick Wursten

 

 

 

 

Nefaste classificatie per religie: de erfenis van Brits Indië

70 jaar geleden explodeerde een ogenschijnlijk onschuldig idee uit de 19de eeuw, namelijk de administratieve ordening van een hyperdiverse samenleving volgens eenvoudige religieuze parameters (hindoe of moslim) in het gezicht van de bevolking met meer dan een 1.000.000 doden tot gevolg. Nog los van de miljoenen displaced persons. Ik heb het over Brits Indië (na de explosie in 1947: Pakistan/Bangladesh en India). 

Een religieuze identiteitsmarker is gulzig van aard en slorpt na verloop van tijd alle andere persoons- en groepskenmerken op. Op het moment dat er dan maatschappelijke onrust ontstaat (of een machtsvacuüm) gaat een hyperdiverse groep mensen die allerlei vormen van samen-leven in maar half bewuste diversiteit heeft ontwikkeld, zich plots organiseren lang religieuze scheidslijnen. En dan is de ellende niet meer te overzien. Ik zie parallellen met vandaag, en niet alleen in Myanmar en Sri Lanka… U ook ?

Meer over deze tragische fout [een ambtenaarlijke kijk op religie versterkt de religieuze identiteit] op deze pagina van deze blog, of met meer achtergrond en context in mijn online gepubliceerde studie over relige, het deel over ‘religie als groepsaanduiding’

Hoe minister Geens de Moslimexecutieve de doodsteek geeft

Open BRIEF aan minister van justitie Koen Geens (DE MORGEN, 27 augustus 2017, n.a.v. de aanslag in Barcelona). Dick Wursten is inspecteur voor het protestants-evangelische godsdienstonderwijs.

Geachte meneer de minister, beste heer Geens, 

U klonk naar aanleiding van de aanslagen in Barcelona en Cambrils behoorlijk vastberaden in Terzake: “Ik ga de Moslimexecutieve vragen dat zij alle Belgische moskeeën, erkend of niet erkend, vragen elke imam die daar passeert te melden. De Moslimexecutieve moet die informatie aan de Staatsveiligheid doorspelen. Zo komen we tot een systeem waarin de Staatsveiligheid onmiddellijk verneemt wie predikt, ook in niet-erkende moskeeën.”

Hiermee hebt u echter wel de Moslimexecutieve de doodsteek gegeven, omdat u de organisatie openlijk degradeert tot een dependance van de Belgische Staatsveiligheid, nog los van het feit dat de Executieve sowieso geen bevoegdheid heeft ten opzicht van niet-erkende moskeeën (het merendeel). U bevestigt wat vorige maatregelen al lieten vermoeden: u instrumentaliseert de religieuze instanties, wat uw goed recht is als staat, maar mocht ik in zo’n religieus representatief orgaan (synode, bisschoppenconferentie, consistorie, executieve of hoe ze ook mogen heten) zetelen, u zou een kwaaie aan mij hebben.

De overheid moet zich niet moeien met de religieuze instellingen, enkel met het gedrag van haar burgers. Daar moet zij zich mee bezighouden, ook als die burgers dat religieus motiveren. Daar vind ik u dan weer veel te bang. U meent dat haatzaaiende predikanten enkel kunnen worden aangepakt via de officiële eredienst? Hoe komt u daarbij? Haatzaaien is bij wet verboden. Punt andere lijn. Een beroep op de ‘vrijheid van godsdienst’ of ‘de scheiding van kerk en staat’ heeft daar niets mee te maken.

Godsdienst kan niet dienen als dekmantel voor haatzaaierij. En mensenrechten mogen niet worden ingeroepen om de rechten zelf aan te vallen (staat ook in de Verklaring van de rechten van de mens). Meningen mag je dus hebben, en je mag ze verkondigen, zeker. Dat kunnen dus ook domme, onwelgevallige en zelfs opruiende meningen zijn. Zo hebben wij hier met elkaar afgesproken. Het recht op vrijheid van meningsuiting (waarvan de vrijheid van godsdienst slechts een variant is) is verankerd in de genen van ons recht, omdat wij de winst voor het mens-zijn hiervan hoger inschatten dan de nadelen.

De nadelen zijn er echter ook, maar die proberen we in te perken en aan te pakken middels algemene wetgeving: ‘Aanzetten tot haat’ is strafbaar. Dat mag dus niet, nooit niet, nergens. Daarvoor kun je vervolgd worden en, bij voldoende bewijs, ook veroordeeld worden. Of je dat nu in een kerk, moskee, café of tijdens een verkiezingsbijeenkomst doet, maakt in principe niet uit.

Dus, ik zou zeggen: als u een vermoeden hebt dat het misgaat in islamitische gebedshuizen, aarzel dan niet om dat ‘met de geëigende’ middelen te onderzoeken en aan te pakken. Daar hebt u geen toestemming van wie dan ook voor nodig. Doe dat zoals elke zichzelf respecterend geheime dienst zou doen met eender welke dreiging die zij moet onderzoeken.

En tot de moslims in België nog dit, nu blijkt dat er in uw midden relatief veel van dit soort gevaarlijke gasten rondlopen: als u er eentje tegenkomt, spreek hem erop aan, spreek hem tegen, bied weerwerk, wederwoord. Dat hoort ook tot de vrijheid van meningsuiting.

Zij mogen het zeggen, maar ze behoren weersproken te worden. Morele weerstand bieden is een taak voor elke burger van dit land.

Godsdienst en homoseksualiteit

Kan een christen of een moslim homo zijn?

Antwoord: Ja natuurlijk, want seksuele gerichtheid heeft op zich niets met geloof te maken en wordt daardoor dus ook niet echt beïnvloed (hoewel sommigen dat wel claimen). Iets anders is hoe men binnen officiële religies met seksuele voorkeuren omgaat. Hier wreekt zich dat religies voor een groot deel culturele tradities zijn en dus oude opvattingen overleveren. Daar kunnen diepmenselijke inzichten (eye-mind-and-heart-openers) tussenzitten – zeker!, maar ook tot goddelijke wet verheven oeroude taboes en machtsmechanismen. Dit is zeker het geval op het terrein van de seksualiteit. Patriarchiale structuren krijgen hier een goddelijk statuut onder verwijzing naar ‘natuurlijke seksuele aandriften’ van man/vrouw (met ditto rolpatronen). Deze ‘natuurlijke oertoestand’ (scheppingsordening heet dat dan in theologen-kringen: begin is beginsel gevat in een normatief natuurbegrip) houdt echter geen stand als je die afzet tegen de wijze waarop de wetenschap (biologie, neurologie, cognitiewetenschap) ‘gender-issues’ tegenwoordig op zeer overtuigende wijze een plaats geeft binnen het complexe zelfbeeld van een mens. [Over deze zin moet u even nadenken voor u verder leest. Ze is essentieel.]

Vrouwen, homo’s en mensen bij wie de inherent ervaren sekse niet klopt met de externe fysieke bouw (transgenders, al dan niet geopereerd) zijn daarvan het grootste slachtoffer. Soms letterlijk, maar altijd psychisch, geestelijk. Beeldt u in dat u homo bent en u uzelf moet leren accepteren terwijl u opgroeit binnen een milieu dat uw seksuele zijn als zondig afwijst. Je zou van minder kapot gaan. Je mag je dus afvragen: Dient de vrijheid van godsdienst (in de zin van ‘de vrijheid om kinderen met dit soort denkbeelden op te voeden’) de mens ?

Vrouwen- en homorechten zijn de ‘kanaries in de koolmijn’ van de rechtsstaat als humane samenleving.

De bijbel, incl. het Nieuwe Testament, heeft over de homoseksuele daad (op een andere wijze komt lgbt in dit boek niet aan bod) niets positiefs te zeggen en in het Mozaïsche wetboek is de doodstraf voorzien voor ‘mannen die seks hebben met mannen’ want dat is ‘een gruwel in Gods ogen’. In het Engels: Abomination. Idem in de koran, logisch.

Enkel als de religieuze instituten hun heilige geschriften ook als tijdbetrokken menselijke documenten zien, is er hoop, want dan ontstaat er een hermeneutische ruimte waarin mensen moeten gaan zoeken naar betekenis, impact, draagwijdte, zeggingskracht. Dan ontstaat er dus een gesprek. Dit is in de christelijke traditie zeker het geval maar het blijft ook daar een gevecht met fundamentalistische, biblicistische stromingen, die de bijbel on-historisch lezen. Ja u leest het goed: ‘on-historisch’, want als je teksten echt serieus neemt en leest zoals ze zich presenteren, d.w.z. als ‘historische documenten’, dan krijgen ze vanzelf context (= de tijd waarin ze zijn ontstaan, èn de tijd waarin wij ze lezen) en ontstaat er discussie. Geïnteresseerd in hoe dat in de protestants-evangelische wereld zit, lees dan het artikel ‘God verandert homo’s… of toch niet‘.  Het gaat over ‘opkomst, ondergang (en terugkeer) van de bekeringstherapie’.