Life is like a cup of tea

Around the turn of the century a newly ordained rabbi was sent out from his yeshiva on the lower East Side of New York to become the first rabbi to minister to a congregation in Alaska. His old teacher bid him farewell, blessed him, and said, “And remember, my son, always remember—life is like a cup of tea.
The young rabbi went out to Alaska, and he was very busy there, but every now and again he would think of what his teacher had said, and he would wonder what this saying meant. After seven years his congregation let him take a vacation. He went back to New York, visited the yeshiva, and went to see his old teacher. “I’ve always wanted to ask you this,” he said. “When I left the yeshiva, when you gave me your blessing, you said to me— ‘life is like a cup of tea.’ Tell me rebbe, what did you mean?
Life is like a cup of tea?” asked the old man. “I said this?
Yes, you did. What did you mean?” The old man thought for a while, then he said, “Nu, maybe life is not like a cup of tea.

[gelezen in Peter L. Berger, Redeeming Laughter: the comic dimension of human experience (1997), p. XV]

Proost!

Alles wat u over religie wilde weten, maar nog nooit hebt durven vragen….

Afgelopen jaren heb ik diverse malen over religie geschreven, en vooral over: hoe we daarmee zouden moeten omgaan in de context van de ‘Open Society’ (Popper). Niet simpel, en precies op dat punt worden m.i. vandaag grote fouten gemaakt, met name omdat men zo weinig nadenkt over wat religie nu eigenlijk is, en hoe het werkt (sociaal-psychologisch). Religie heeft een sterke impact op de persoonlijke en de groeps-identiteit, en daarom hebben fouten in de aanpak (persoonlijk, sociaal, juridisch) grote gevolgen voor de samenleving. Mijn idee was dat het een boek zou worden, maar de probeersels (essays) lieten zich niet ‘samen vatten’ in een verkoopbare vorm. Ik heb ze dus na een lichte bewerking online gezet, met een navigatiemenu erbij. Geen toeters en bellen. Vier hoofdstukken en een nabeschouwing. That’s it. [aldaar ook te downloaden als epub]

Deel 1: Religie, een genealogisch onderzoek

Deel 2: De identiteitscrisis van de christelijke religie

Deel 3: Vrijheid en godsdienst, een haat-liefde verhouding

Deel 4: Het imperialisme van de religieuze identiteitsmarker

Naast hoofdstuk 4 zal ook hoofdstuk 3 de bezoekers van deze weblog wellicht interesseren: een speurtocht naar de geboorte van de mensenrechten en de met name de manier waarop in de Bill of Rights (First Amendment) de godsdienstvrijheid wordt geproclameerd. Dat is namelijk anders dan je zou verwachten. Godsdienstvrijheid is daar nadrukkelijk geformuleerd als twee dingen tegelijk: free exercise en non-establishment. Dat laatste betekent een totaal verbod op overheidsbemoeienis met religieuze zaken. Eind 18de eeuw betekende dat heel concreet: dis-establishment. De officiële kerk moest haar voorrechten opgeven. Voortaan zou er geen enkele financiële of juridische steun meer zijn van overheidswege voor welke vorm van religious establishment dan ook. Dat was namelijk precies wat men in de Nieuwe Wereld spuugzat was. Dat de overheid zich voor het karretje liet spannen van een ‘established Church’, dan wel dat de overheid een religieus instituut gebruikte om andere burgers in het gareel te houden. Iedereen – zo vonden streng-gelovigen, deïsten en atheïsten samen- moest vrij zijn om zijn/haar religieuze impuls te volgen, vorm te geven. Zeker: maar geen enkele van deze vormen zou moeten rekenen op een duwtje in de rug van de overheid: Hands-off!

Multiple establishment (het Belgische systeem) is in de aanloop naar die formulering beproefd, maar werd door de burgers van de nieuwe staat als intrinsiek discriminatoir ervaren. Om meerdere ‘kerken’ (want daar ging het toen over, zo zie je al meteen hoe beperkt de blik van een mens is) tegelijk te steunen, zouden er criteria nodig zijn om te zeggen ‘wat wel en wat niet een kerk’ was. En elke vorm van definitie – zo realiseerde men zich al snel – was een inhoudelijk theologisch oordeel. Let wel: u bent in een overwegend protestants land, waar de ‘free Church’ floreerde en de organisatievorm zeer fluïde was en men heel wantrouwig keek naar ‘religieuze leiders’ die het wel eens zouden komen uitleggen. In dit geval: ‘is’ implies ‘ought’, en daar moest de overheid zich verre van houden. Anders werd het gegarandeerd weer hommeles. Enfin: lees het zelf maar en nog veel meer in mijn grote online voorleesboek over religie.

 

 

Salafisten in Genk en Antwerpen

Voltaire is er nog duizelig van, zovaak moest hij zich vandaag in zijn graf omdraaien. Al die ‘verlichte’ democraten die plots moord en brand riepen omdat er een cursus wordt georganiseerd door een enge culturele vereniging van islamitische strekking. Daar werden onwelgevallige meningen verkondigd over alcohol, werd de omgang met ongelovigen afgeraden (‘zonde’) , en werd de hele muziekscene aan de duivel toegewezen. Ja, die meningen bestaan – en ze hebben nog nooit zoveel gratis zendtijd gekregen als nu.

Dus nog één keer: “I disapprove of what you say, but I will defend to the death your right to say it.” (uit een boek over Voltaire uit 1906).

Als men onder valse voorwendsels een zaal heeft gehuurd, dan is dat een andere zaak, maar ook hier is het misschien niet zo simpel als men het voorstelt. Een cursus over islam vanuit binnenperspectief is geen ‘religieuze activiteit’, sorry. Je moet die dingen wel uit elkaar houden. Wie alles mixt, maakt er een potje van: soep.

Dus: Dat we het niet eens zijn met iemand is geen reden om hem het zwijgen op te willen leggen. Integendeel. Met die persoon wil je van gedachten wisselen tot je hem overtuigd hebt van jouw gelijk (of andersom, hoewel dat bijna nooit voorkomt. Vreemd eigenlijk). Dat is ‘burgerzin’. Zo werkt de open samenleving. Iedereen mag mij uitnodigen voor een gesprek of een debat over eender wat. Als ik meen dat ik er iets over te zeggen heb, dan kom ik. Vraagt men verantwoording, ik geef die. Dat we ons zorgen maken over de consequenties van de zuiverheidsideologie van het salafisme (met haar ‘contaminatievrees’, je wordt besmet door de omgang met ongelovigen) is terecht. Daardoor wordt inderdaad het samen-leven zelf bedreigd. Maar ook dat betekent nog niet dat we de mensen het recht mogen ontzeggen om die mening te hebben en te uiten.

Te hebben: Het recht op het hebben van een afwijkende en onwelgevallige mening is sinds 1648 (vrede van Munster) verworven in onze contreien, tot grote ergernis overigens van de toen dominante ideologie, genaamd de rooms-katholieke religie. Het heeft de achterhoedegevechten van de godsdienstoorlogen beëindigd en veel repressie voorkomen. Het recht om die mening te uiten, zo luid als men wil, en ongecensureerd, komt elke burger van dit land toe, al sinds België bestaat (1831, Belgische Grondwet, o.a. artikel 19 en 25).

Dus waar hebben we het over? Over het feit dat religie een booming business is, en dat op deze markt – die vrij is, want religies zijn ook maar culturele constructies – zich dus allerlei figuren kunnen begeven die eender wat mogen verkondigen, ook een ex-rapper die tot inkeer is gekomen en vervolgens alle muziek afwijst. Je kan dat betreuren, maar strafbaar is het niet. Als ze aanzetten tot haat, of IS verheerlijken, dan is het gedaan. Die grens mag niet overschreden worden, naar geen van beide kanten.

 

Deradicalisering die wèrkt…

Er zijn grosso modo vier manieren om ongewenste ideologieën te bestrijden:

  1. Directe confrontatieYou’re wrong, I’m right!
    „Dat was de Amerikaanse methode direct na 9/11. Ze hadden filmpjes waarin je allemaal terroristische explosies zag, eindigend met de vraag: ‘Is dit wat je wilt?’ Het aantal nieuwe terroristen schóót omhoog.”
  2. Afleiding – je moet mij niet aanvallen, maar hem. „Heel effectief gedaan in de ‘Sunni Awakening’ in 2007, toen de internationale coalitie erin slaagde soennitische stamhoofden in Irak te overtuigen dat Al Qaeda een gevaarlijker vijand was.”
  3. Verschuiving – uitdragen dat je niet alleen een goede moslim kunt zijn in de strijd, maar ook door hulp te bieden.
  4. Dissolution – oplossing, ontbinding van emoties die extreme overtuigingen en handelingen aanwakkeren.

Dit laatste is de manier die David Kenning propageert, èn volgens hem de enige die ècht werkt. Drie fragmenten uit het interview vindt u hier. Hieronder enkele van zijn – controversiële – opvattingen:

  • De oorzaak van extremistisch geweld is niet van belang voor de bestrijding ervan. Mensen krijgen een identiteit mee van ouders, vrienden, gemeenschap. En soms zit die identiteit niet lekker en gaan mensen opzoek naar een nieuwe. De propaganda van IS is toegesneden op dit dilemma. Hoor je nergens bij? Dan mag je bij ons horen. „In deze wereldwijde band of brothers krijgt de zelfmoordaanslagpleger een nieuwe identiteit.”
  • Je kunt geen invloed uitoefenen op de factoren die leiden tot extremisme. „We kunnen hem zijn vriendinnetje niet teruggeven, de pijn niet wegnemen van zijn vader die hem sloeg, zijn baas niet dwingen moslims aardig te vinden. We kunnen de spanningen die worden veroorzaakt door het westers buitenlands beleid niet wegnemen.”
  • Het is zinloos om zijn religieuze overtuigingen tegen te spreken – dat neemt hij toch niet van ons aan. „Tegen de tijd dat de overheid deze jongeman tegenkomt, hebben deze factoren hun werk al gedaan. Wij kunnen dus alleen nog maar wat met zijn geest. Die kunnen we weerbaar maken, open voor twijfel en voor andere ideeën.”
  • Het gekke van identiteit, zegt Kenning, is dat het bijna belangrijker is hoe de ander je aanspreekt dan hoe je naar jezelf kijkt. Hij zelf is opgegroeid in Noord-Ierland en dateert van vóór de gewelddadigheden losbarstten: „Wij voelden ons geen protestanten, maar de anderen gingen ons als protestanten zien.” Dit is volgens hem het voornaamste doel van Al Qaeda’s aanslagen van 11 september: verdelen, polariseren, radicaliseren.

Meer dus op deze pagina of het hele interview op nrc.nl (als het niet achter de betaalmuur zit)

Montaigne wist het al…

« … Tout cela c’est un signe très évident, que nous ne recevons notre religion qu’à notre façon et par nos mains, et non autrement que comme les autres religions se reçoivent. Nous nous sommes rencontrés au pays où elle était en usage, où nous regardons son ancienneté, l’autorité des hommes qui l’ont maintenue, où nous craignons les menaces qu’elle attache aux mécréants, où nous suivons ses promesses. Ces considérations-là doivent être employées à notre croyance, mais comme subsidiaires : ce sont liaisons humaines. Une autre religion, d’autres témoins, pareilles promesses et menaces, nous pourraient imprimer par même voie une croyance contraire. [B] Nous sommes chrétiens à même titre que nous sommes ou Perigourdins ou Allemands. »


Apologie de Raymond Sebond, 1580, Essays II,12,700 – onderlijning van mij [B = toevoeging van Montaigne in een latere editie, 1588], hier de tekst met wat meer context in het Nederlands.


[ENGLISH – Michael Screech]: All this is a clear sign that we accept our religion only as we would fashion it, only from our own hands – no differently from the way other religions gain acceptance. We happen to be born in a country where it is practised, or else we have regard for its age or for the authority of the men who have upheld it; perhaps we fear the threats which it attaches to the wicked or go along with its promises. Such considerations as these must be deployed in defence of our beliefs, but only as support-troops. Their bonds are human. Another region, other witnesses, similar promises or similar menaces, would, in the same way, stamp a contrary belief on us. [B] We are Christians by the same title that we are Périgordians or Germans.

[NEDERLANDS – Hans van Pinxteren]: Dit alles toont heel duidelijk aan dat wij het geloof op onze eigen manier in ons opnemen en het naar onze hand zetten, precies zoals dat bij andere godsdiensten gaat. Wij zijn geboren in een land waar dit nu eenmaal het geloof is; ofwel wij kijken hoe oud het al is of welke grote mannen ervoor opgekomen zijn, ofwel we zijn bang voor de straffen waarmee de ongelovigen worden bedreigd, ofwel wij jagen zijn beloften na. Zulke overwegingen behoren ons te sterken in onze overtuiging, maar mogen nooit op de eerste plaats komen: het zijn verbanden die de mens zelf legt. Een andere religie, andere voorvechters zouden ons met eendere beloften en dreigementen voor hetzelfde geld het tegengestelde kunnen laten geloven. [b] Wij zijn even vanzelfsprekend christen als we Gascogner of Duitser zijn.

De hoofddoek en de non (Sarah Izat)

In het antwoord op de vraag waarom ze per se de hoofddoek wil dragen, gebruikt mevrouw Izat een treffende vergelijking. Ze draagt een hoofddoek ‘net zoals nonnen dat doen’, dat wil zeggen: om ‘haar liefde voor God concreet te maken’. Kijk, dat begrijp ik. Er zijn inderdaad mensen die God liefhebben boven alles, niets meer verwachten van het gewone leven, de aardse banden verbreken en intreden in een klooster. Als ze dan toch nog wel eens in de seculiere wereld verschijnen, dragen ze hun habijt. Dat is een religieus uniform. Dat roept: ‘Ik ben geen gewoon mens, ik ben niet van deze wereld, ik ben van Christus.’ Als mevrouw Izat het dragen van de hoofddoek zo beleeft, dan neem ik aan dat ze begrijpt dat de samenleving van haar vraagt om duidelijk te maken voor welke wereld ze kiest: die van seculiere burgers of die van het klooster. Je kunt maar één uniform tegelijk dragen.

Dick Wursten

Reactie op: “Een politieagent met een hoofddoek is wat zij wil zijn” (interview Sarah Izat, De VOLKSKRANT 9/11/2017)


Challenge voor liedjesschrijvers onder de bezoekers: Schrijf een tekst op bijgaande melodie (een ‘contrafact’ of ‘parodie’, een woord dat in de oude muziekwereld geen negatieve connotatie heeft) met als refreinzin natuurlijk: de hoofddoek en de non… (of variaties hierop). De ballade van de nozem en de non dateert uit 1965 en is van Cornelis Vreeswijk, de enige Hollandse zanger die iets van George Brassens heeft.

Niemand ter aarde weet hoe het eigenlijk begon:
het droevige verhaal van de nozem en de non
van de nozem en de non

Ei, in het voorjaar ontmoetten ze elkaar
ze keken elkaar aan en toen was de liefde daar
ja toen was de liefde daar

Sterk is de liefde (hartstocht) tijdelijk althans
De non vergat haar plichten en haar rozenkrans
ze vergat haar rozenkrans

’t Is wel te begrijpen, ’t gebeurt toch elke dag
de nozem was verloren toen hij in haar ogen zag
toen hij in haar ogen zag

Ze wandelden in ’t park in de prille lentezon
en honderdduizend kussen kreeg de nozem van de non
kreeg de nozem van de non

Een zekere juffrouw Janssen gluurde door de ruit
ze wist niet wat ze zag en haar ogen puilden uit
ja haar ogen puilden uit

Een zekere heer Pieterman zat op zijn balkon
hij stond stomverbaasd van de reacties van de non
de reacties van de non

Leve de liefde’ zei heer Pieterman galant
maar juffrouw Janssen belde naar de krant
ja die belde naar de krant

Daar dachten allen dat ze het maar verzon
dus belde ze de kapelaan en verklikte ze de non
toen verklikte ze de non

‘Kijk,’ zei de kapelaan, ‘da’s nou echt weer duivelswerk
zo gauw ik er niet bij ben dan beduvelt hij de kerk
dan beduvelt hij de kerk’

‘In zulke dingen,’ zei hij, ‘ben ik hard als beton
Ik stuur de politie op het dak van de non
Van de nozem en de non’

Dankzij juffrouw Janssen en de kapelaan
maakte de politie er een einde aan
ja, er kwam een einde aan

De non en de nozem gingen op de bon
Een schop kreeg de nozem; de zenuwen de non
ja de zenuwen de non

Want ze liepen namelijk zomaar in het gras
en de politie zei dat dat verboden was
dat het gras verboden was

Niet om het een of ander, maar omdat het niet kon
eindigde de liefde van de nozem en de non
van de nozem en de non

Volgens Aristoteles weegt een zoen niet zwaar
volgens de kapelaan is dat nou echt niet waar
volgens mij is ’t nogal raar

 

Over salafisme en gebedsruimte op scholen (Khadija Arib)

De Voorzitter van de Tweede Kamer in Nederland, Khadija Arib, hield op 17 september de Abel Herzberglezing in de Rode Hoed (Amsterdam). Ze zegt behartenswaardige dingen over het belang van de westerse waarden en hoe diep die in onze cultuur en geschiedenis zijn verworteld. Ze waarschuwt met name voor de valkuil van ‘vriendelijke tegemoetkomingen’ aan religieuze groepen  die andere waarden hebben. Ze bedoelt dingen als het inrichten van gebedsplekken op school (universiteit, fabriek, kantoor), aanbieden van halal eten in kantines en gedragsregels voor mannen en vrouwen. Dat is niet ‘om het even’, want die vloeien voort uit een – dixit Arib – waardensysteem dat niet compatibel is met de waarden waarop onze samenleving is gebouwd.

Ze noemt toegevingen op die punten naïef. Traditionele moslims, m.n. salafistisch geïnspireerde, gebruiken die ruimte namelijk om hun invloedssfeer te vergroten en hun waarden op te leggen aan hun mede-moslims. Zo brengt dit tolerante gedrag schade toe aan de handelingsvrijheid van burgers met een islamitische achtergrond om nìet te bidden, zèlf te bepalen hoe men relaties wil aangaan, etc.  Vgl. mijn gedachtenoefening rondom de ramadam in De Standaard. Mw. Arib gaat nog een stap verder en stelt dat naast de vrijheid ook de veiligheid van een deel van de bevolking hierdoor in het gedrang komt. De lezing van mw. Arib staat online (50 minuten, gevolgd door een vraaggesprek).

Over die imperialistische trek van de religieuze identiteitsmarker, zie ook hoofdstuk 4 in mijn boek over dit onderwerp, dat u hier kunt lezen [opent een nieuw venster]

Onder de video een stuk van een artikel uit De VOLKSKRANT van 25 september, dat op mw. Arib’s gedachten voortborduurt.

 

Terecht ageert Arib tegen gebedsruimte op school

…. Milder was de ophef over de Abel Herzberglezing, vorige week uitgesproken door Tweede Kamervoorzitter Khadija Arib. Terwijl zij toch echt wel iets te zeggen had. Het PvdA-Kamerlid schakelde moeiteloos van een persoonlijke identificatie met de naamgever – de Russisch-Joodse Abel Herzberg had zich net als zij als ‘vreemdeling’ moeten zien te verhouden tot de Nederlandse samenleving – naar een scherpe visie op het doormodderende integratiedebat.
Heilige huisjes schuwde Arib daarbij niet. Letterlijk. Ze waarschuwde dat met de opkomst van het salafisme in Nederland de moskee ‘niet alleen meer een vruchtbare plek (werd) voor gebed, maar ook een ingang voor groeperingen die niet in de waarden van een democratische rechtstaat geloven’.Verfrissend was dat Arib de autochtone Nederlanders nu eens geen intolerantie of racisme verweet, maar eerder naïviteit ten opzichte van de islam: ‘Er werden zaken getolereerd of overwogen die met geen mogelijkheid getolereerd of overwogen zouden worden bij andere groepen.’ Die naïviteit is nog altijd niet verdwenen, zo luidde haar waarschuwing:
Onlangs sprak ik met docenten van een gemengde school over de vraag of ze wel of geen gebedsruimte in hun school zouden toestaan. Ze zeiden het te overwegen, omdat ze anders leerlingen met een islamitische achtergrond zouden kwijtraken. Ik probeerde hun uit te leggen dat het toestaan van gebedsruimten voor kinderen uit de orthodoxere gezinnen ook een negatieve mening legitimeert over kinderen die níét bidden.
‘Het zijn keuzes waar we waakzaam voor moeten zijn, omdat ze het risico in zich hebben om verworven rechten waar eeuwenlang voor is gestreden – zoals in dit geval gelijkheid en emancipatie – onderuit te halen.’  Arib is dapper. Wie ageert tegen gebedsruimten in openbare gebouwen, wordt algauw beschuldigd van ‘racisme’ […] En Arib moet ook tegen een ander verwijt opboksen, want kritiek op gebedsruimten is – zo hoor je alom – in strijd met ‘inclusiviteit en diversiteit‘. Dat is het nieuwe dogma dat alle onderwijsinstellingen beheerst. Met die mantra worden in rap tempo kantines halal gemaakt, onderwijsprogramma’s aangepast aan de gevoelige oren en ogen van leerlingen, en dus ook ruimten beschikbaar gesteld voor het islamitisch gebed.
De Vrije Universiteit opende drie jaar geleden twee nieuwe gebedsruimten: een voor moslims en een voor andere gelovigen. Ook de feestelijke opening was in tweeën geknipt, de halalhapjes en -drankjes werden op een aparte tafel geserveerd. Dit voorjaar bleek de islamitische ruimte (dertig ligplaatsen) al te klein, bij het vrijdaggebed schijnt de ruimte uit z’n voegen te barsten.
Dat er in het religieus onderwijs, zoals op de katholieke Radboud Universiteit en de protestantse VU, islamitische gebedsruimten bestaan, klinkt wat bevreemdend, doch is niet onlogisch.
Maar zelfs openbare onderwijsinstellingen richten enthousiast zaaltjes in met gebedskleden, korans, wasgelegenheden en als het even kan ook gordijntjes of muren om de vrouwen van de mannen te scheiden. Roedels diversity officers zien erop toe dat geen student of leerling wordt gediscrimineerd.
Dat intussen principes als gelijkheid van man en vrouw en scheiding van kerk en staat met voeten worden getreden, nemen bestuurders op de koop toe. Misschien dat de scherpe observatie van Arib, over de vrijheid en veiligheid van alle leerlingen die níét willen bidden, hen ooit eens tot inkeer brengt.

Laat de moslims toch zelf hun imams opleiden!

21 september 2017 – Dick Wursten

Nemen onze moslims eindelijk het initiatief om een eigen imam-opleiding van de grond te krijgen (weliswaar Diyanet-getrouw), valt weldenkend Vlaanderen weer over ze heen. Indoctrinatie, niet academisch, niet open, invloed van Erdogan etc… Even dimmen, zou ik zeggen. Natuurlijk is het indoctrinatie als je in en vanuit een geloofsgemeenschap de jongeren opvoed in ‘de voorzeide leer’: doctrina = leer. Dat is niet typisch voor moslims. Dat doet elke min of meer afgelijnde levensbeschouwing, zelfs degene die zegt dat ze dat niet doet. Wat denkt u dat er in de bijbelscholen van de ‘evangelicals’ gebeurt, in katholieke retraites en seminaries, of in boeddhistische meditatiecentra?  Meer of minder subtiel: de ‘leer’ wordt er ‘in gebracht’, het liefst in het hart. Als het over kinderen en jongeren gaat, dan kun je daar je vragen bij hebben, maar als het gaat om ‘voorgangers’ (i.c. imams) op te leiden, lijkt me dat niet meer dan logisch. Als je dat niet wilt, dan accepteer je eigenlijk niet dat godsdienstvrijheid een mensenrecht is. Dat mag, maar zeg dat dan ook!

En roep niet te snel: Maar dan neemt Erdogan het hier over, of zo komt de Arabische islam uit Marokko hier binnen! Ook hier: even temporiseren. Met wie hebben de zeer Belgische ‘Broeders van Liefde’ problemen? Met hun internationale baas (toevallig een Vlaming, maar de facto een functionaris van Vaticaanstad). Aan wie is het hoofd van de Belgische Kerk gehoorzaamheid schuldig?  Aan de paus van Rome (NB, religieus leider èn  staatshoofd). En denkt u nu echt dat er geen Amerikaans geld naar de Evangelische Theologische Faculteit (ETF) in Heverlee gaat? Of naar een Pentecostal Seminary in Sint-Pieters Leeuw? En om voor eigen deur te vegen: De Protestantse Faculteit in Brussel (o.a. opleiding voor dominees en godsdienstleerkrachten) is midden vorige eeuw alleen maar van de grond kunnen komen, dankzij financiële en personele steun vanuit Nederland. En hebt u zicht op de fondsen van het Boeddhistisch centrum in Schoten en de Jain-tempel in Wilrijk ?  etc.  Alle grote religies zijn supra-nationale netwerken die hun eigen agenda en geldstromen hebben.

Dus geen 3, geen 2, maar toch wel 1 hoeraatje voor de oprichting van een Vlaamse imamopleiding.

Kortom: Het zèlf oprichten van Vlaamse imamscholen, is wel degelijk een stap op weg naar de Europese islam. Het getuigt met name van burgerzin (burgerschap) en integratie, dat ze zelf het initiatief nemen. Dat is in elk geval al veel beter dan dat de overheid het voor hen zou doen (dat is paternalisme, en leidt tot ‘handjes ophouderij’). 

Dick Wursten

Wil de ware islam nu opstaan..?

“Ik zoek een ijkpunt om te weten wat nu wel en niet islam mag heten”, zei Jan Leyers aan het eind van het gesprek, gisteravond (nine-eleven, 2017) op canvas. En daarmee legt hij de aporie bloot die al die discussies over de plaats van religie in de samenleving zo vermoeiend maakt. Dat ijkpunt is er namelijk niet, terwijl elke willekeurige groep mensen het recht heeft om het te claimen. Iedereen mag dus zeggen dat hij/zij ‘de ware islam’ verkondigt, en de anderen afschrijven als halflings, ketters, afvalligen, fundamentalisten, libertijnen, bedriegers, ongelovigen etc., en vice versa en tot in eeuwigheid, amen. Zolang deze aporie niet wordt gethematiseerd zal religie een ‘unruly thing’ blijven en zal het geweld dat inherent is aan zulke taal ook reële vormen blijven aannemen.

KORTE Toelichting: Religies zijn en blijven menselijke constructies , waarin door mensen gezag wordt toegekend aan bepaalde teksten, ervaringen en tradities. Binnen elke religie is er intern discussie over a. welke teksten, ervaringen en tradities in aanmerking komen en welke niet (of in welke rangorde) en b. hoe die teksten, ervaringen en tradities precies geïnterpreteerd moeten worden. Niemand kan uit deze hermeneutische cirkel stappen en degene die suggereert dat hij dat wel kan, houdt zichzelf voor de gek, of hij zich nu onderzoeker, wetenschapper, ayatollah of paus noemt.

LANGE toelichting (geschreven in de nasleep van Charlie Hebdo, jan. 2015 (toen religieuze leiders over elkaar heenvielen om te verklaren dat de jihadi’s ‘geen echte moslims’ waren), maar nog steeds relevant volgens mij)

DE islam, HET christendom, wie bepaalt eigenlijk wat dat is? En: is er een criterium om ‘echte islam’ van ‘valse islam’ te onderscheiden ? Iedereen schijnt daar zomaar van uit te gaan als je de reacties op de terreur in Parijs leest. Men veronderstelt blijkbaar dat ‘de islam’ ergens gedefinieerd is, of zou kunnen worden en vervolgens onderscheiden van de visie die jihadisten c.s. daarop hebben. Het probleem is echter dat niemand, maar dan ook echt niemand, in de positie is om dat te doen. Niemand kan zeggen wat wel ‘islam’ is en wat niet. En voor u denkt dat de islam weer eens geviseerd wordt, u mag in plaats van ‘islam’ ook lezen: ‘christendom’ ‘wicca’, ‘vrijzinnig humanisme’ etc. Het antwoord in al deze gevallen is namelijk hetzelfde. Geen enkele persoon of groep (ook niet de nominaal grootste) kan die definitie geven, hoewel bijna elke groep zèlf wel meent dat zij in die positie is. De paus claimt bijv. dat hij kan zeggen wat ‘het christendom’ is, maar ik ben het al niet met hem eens. Ik ben namelijk een christen van de protestantse familietak en de paus komt in mijn versie van het christendom enkel aan de rand voor (en daar nog eerder negatief dan positief). En Jezus kan het zelf niet meer uitleggen, gesteld al dat hij een godsdienst had willen stichten (wat ik overigens niet denk, maar dit terzijde).

Levensbeschouwingen (of ze nu godsdienstig zijn of niet) zijn constructies, waarin door mensen gezag wordt toegekend aan bepaalde teksten, ervaringen en tradities.

Het lijkt me niet onnuttig in het huidige debat over de plaats van godsdienst in onze samenleving ons hiervan rekenschap te geven. Anders blijven we langs de werkelijkheid heenpraten en krijgen we de vinger niet op de wonde. En dat is toch nodig wil er heling kunnen plaatsvinden. Levensbeschouwingen (of ze nu godsdienstig zijn of niet) zijn constructies, waarin door mensen gezag wordt toegekend aan bepaalde teksten, ervaringen en tradities. Binnen elke levensbeschouwing is er intern discussie over a. welke teksten, ervaringen en tradities in aanmerking komen en welke niet (of in welke rangorde) en b. hoe die teksten, ervaringen en tradities precies geïnterpreteerd moeten worden. Niemand kan uit deze hermeneutische cirkel stappen. Iedereen zal van mening zijn dat hij zelf de beste, de meest juiste, de zuiverste opvatting heeft, maar daarmee is dat nog niet zo. Luther en de paus raakten in deze valkuil verstrikt in de 16e eeuw betreffende de definitie van het christendom, zij verketterden elkaar over en weer, en even later was het oorlog. Je kunt ook niemand het recht ontzeggen te claimen dat hij of zij deze of gene godsdienst aanhangt. Je kunt enkel ernaar streven om het gesprek daarover op een zinvolle manier te organiseren, zoals we binnen het christendom door schade en schande hebben geleerd. Voorwaarde is echter dat alle deelnemers aan het gesprek het uitgangspunt accepteren (nl. dat hij ‘god niet in z’n broekzak heeft’): God mag dan wel eeuwig zijn of absoluut, onze interpretatie van wie Hij (of Zij of..) is, staat principieel open voor discussie.

Naar vandaag toe. Degene die suggereert dat hij of zij met beroep op de ‘echte islam’ helderheid kan scheppen op het terrein van de vele opvattingen die over de islam de ronde doen, houdt zichzelf voor de gek, of hij zich nu onderzoeker, wetenschapper, ayatollah, imam, Ahmed of Charlie noemt.

Het lijkt me dan veel zinvoller om er voortaan op te letten als we over godsdiensten of levensbeschouwingen spreken, dat we een verduidelijking toevoegen, in de zin van:  volgens mijn interpretatie van het christendom…, of zoals wij hier te lande de islam beleven… etc. Dan benader je levensbeschouwingen niet als quasi onveranderlijke instituten, maar als menselijke fenomenen (die al dan niet geïnstitutionaliseerd zijn met het oog op bepaalde functies). De aanpak van de manier waarop godsdienstige overtuigingen hun plaats dan kunnen krijgen in de maatschappij, kan vervolgens gediversifieerd worden en het debat erover zal aan nuance winnen.

15 januari 2015, Dick Wursten

P.S. Praktisch Syllogisme. Hebt u geen zin in thorastudie, evangelie-onderzoek of koranles, dan is hier een shortcut voor een realistische inschatting van de mensvisie van diverse godsdienstige groeperingen: Kijk naar het gedrag van degenen die in onze tijd te kennen geven dat zij tot een bepaalde godsdienst horen. Daar wordt dan eenvoudig zichtbaar of men erin geslaagd is de geweldsteksten onschadelijk te maken: Aan de vruchten kent men de boom !

Geef het onderwijs maar weer de schuld…

Niet het onderwijs faalt, maar de ‘menselijke soort’ schiet structureel tekort als het op sociaal gedrag aankomt. Met de vinger wijzen helpt niet…

Er kan geen samenlevingsprobleem in de media aan bod komen , of al spoedig klinkt het: ‘Ons onderwijs faalt‘… Maakt niet uit of het over het gebrek aan burgerschap gaat, of over godsdiensttwisten, of over radicalisering, racisme of seksuele vooroordelen. Altijd krijgt het onderwijs de schuld, meestal gevolgd door een oproep voortaan beter hun best te doen. Opgeheven vingertjes van stuurlui aan wal, die het natuurlijk altijd beter weten.

[…. schreef ik gisteren 4/9/2017, vandaag 5/9/2017 in De MORGEN, op p. 12-13: drie ervaringservaringsverhalen van jongeren over racisme op school met de stereotiepe kop.]

Ik ontken natuurlijk niet dat er enorme problemen zijn in de samenleving, en dus ook in het onderwijs. Een leraar die uit de bocht gaat (‘Zwijg, neger!”) is natuurlijk fout. Onbeschoft, zou ik zeggen. Een ‘beschavingstekort’. De schuld van die problemen bij het onderwijs leggen, is naast de kwestie. Zo machtig is de school niet en leraren zijn ook maar mensen en geen heiligen. Zo’n analyse (enfin, dat is teveel eer, het is maar een mening) opent dan ook geen zinvolle handelingsperspectieven, maar dekt de werkelijke stand van zaken toe. De problemen zitten veel dieper. Mw. Consuegra merkt dit terecht op in haar opiniestuk op p. 2: Het gaat niet over “rotte appels, maar diepe wortels…”. De mens discrimineert, altijd, en ook als hij het niet wil, doet hij het onbewust toch. Zij trekt echter de consequenties niet, namelijk dat we verder moeten kijken dan het onderwijs en de maatschappelijke opvoeding alleen. We moeten beginnen met de erkenning dat de mens als sociaal wezen faalt, d.w.z. structureel tekortschiet. Hij is genetisch, neurologisch, van nature of hoe u het ook noemen wilt, ‘not equipped’ om te leven in een hyperdiverse groep  – zie onder voor een basale uitwerking). Dieper kijken betreft echter niet alleen de schuldvraag (of beter: de vraag naar de oorzaak), maar dus ook de (on-)mogelijkheden tot remediëring. Maar eerst nog even iets over de rol van de school hierin.

School is geen opvoedingsinstelling

De school kan de opvoeding van de kinderen niet overnemen. Opvoeden moeten ouders doen en daarna is het vooral aan de groep waarin ze leven en zich bewegen (peer-group, breder: subcultuur, wijk/buurt). De school kan hoogstens proberen bij te sturen en doet dat meestal ook (- zij het soms wanhopig: ‘Als ze de schoolpoort uit zijn’ zo hoorde ik een leerlingenbegeleider ooit zeggen, ‘zijn ze alles weer vergeten’). Dat brengt mij dan bij een ander punt: Die opvoeding is niet haar kernopdracht. Een school is en blijft een onderwijsinstelling, geen opvoedingsgesticht. De pedagogische effecten van onderwijs en het ‘samenleven op school’ zijn er natuurlijk wel, maar die werken enkel omdat ze neveneffecten zijn. De schoolcultuur, de sfeer, de omgangsregels, die bepalen dat. Ja, het schoolreglement. Natuurlijk is ‘burgerschap’ belangrijk en moeten ‘sociale vaardigheden’ aangeleerd worden, maar dat laatste kan toch echt enkel en passant gebeuren (altijd dus, maar bijna nooit expliciet, laat staan als vak) en van dat eerste (‘burgerschap’) heeft iedereen z’n mond vol, maar ook dat is iets zeer complex, lastig onderwijsbaar, een attitude. Je kunt toch moeilijk een toets geven waarin je ‘goed gedrag’ meet. Als daar in mijn jeugd punten op werden gegeven dan was dat cijfer een vertolking van een algemene impressie. Je kunt de theorie ervan onderwijzen (maatschappijleer heette dat vak toen ik school liep. Het was in competitie met met ‘godsdienst’ om de titel: minst relevant), en het lijkt me niet meer dan logisch dat er eindtermen in deze zin worden geformuleerd? Maar verwacht er nu ook weer niet teveel van. Een misdadiger weet ook wel dat wat hij doet niet mag, maar hij doet het toch…

Niet het onderwijs faalt, maar de menselijke soort

Ik stel dus voor om de dingen bij de naam te noemen. Niet het onderwijs faalt, maar de ‘menselijke soort’ schiet ernstig tekort als het op sociaal gedrag aankomt. De mens is klaarblijkelijk van nature geneigd om sociaal te zijn voor z’n eigen mensen. Enkel de in-crowd kan op compassie en inzet rekenen, de rest moet maar afwachten hoe de bal rolt, de pet staat. Gelukkig valt het vaak mee. De in-crowd is flexibel, ze kan groeien in de loop van een mensenleven. Maar dat gaat niet vanzelf. Daar moet aan gewerkt worden, niet door te ‘preken’ en met opgeheven vingertjes. Neen, hij moet ‘geraakt’ worden, ervaren dat er meer ‘wij’ is dan hij aanvankelijk dacht. Dus niet via rationele redeneringen, maar via beleving. Als die negatief is, d.w.z. als men uitgescholden wordt voor neger op school (daarom is dat voorbeeld onthullend: één negatieve ervaring onthoud je een leven lang), of als men wordt afgeblaft door een groepje Noord-Afrikanen in de tram (ook hier is één ervaring genoeg om…), dan zijn alle positieve woorden over inclusiviteit een slag in de lucht. In een samenleving waar de diversiteit tussen groepen alleen maar toeneemt (ik sta niet te juichen als ik de samenleving al maar cultureel diverser zie worden. Voor mij staat dat gelijk met ‘ze valt steeds verder uit elkaar’), moet dit voor ieder weldenkend mens een aandachtspunt zijn, altijd, overal en dus ook op school. In die volgorde. Anders scheurt het sociale weefsel nog verder. 

Het is tijd voor een ‘Erziehung des Mensengeschlechts’ 2.0

De remedie zal dus ook niet van de school alleen kunnen komen, zeker niet wanneer de pedagogische visie van de school niet door de samenleving wordt gedragen en in de samenleving voorgeleefd. ‘Woorden wekken, voorbeelden trekken’,  zeiden we vroeger. De mens-als-gemeenschapswezen die een grotere diversiteit kan omvatten dan enkel de eigen groep zal zichzelf moeten uitvinden. Het is niet anders. Een beschavingsopdracht van jewelste. De school kan en zal en wil haar steentje zeker bijdragen in dit opvoedingsproject, maar kan dat enkel als mensen ook buiten school voelen dat ‘het klopt’. Het gevoelsleven is ondeelbaar. In dat nieuwe samenlevingsbrede ‘pedagogische project’ zal – anders dan vandaag – de complexiteit en de onaangepastheid van de menselijke soort op niet moraliserende wijze moeten worden geïntegereerd, anders wordt het een luchtkasteel. Kortom: tijd voor een nieuwe ‘Erziehung des Menschengeschlechts‘ (Lessing). Denken dat je met minder toekomt, of dat de school het wel zal oplossen, is jezelf blaasjes wijsmaken. In the meantime: Stoppen met zwartepieten, de problemen aanpakken waar ze zich stellen, en samen met alle – feilbare – mensen van goede wil blijven werken aan samenlevingsopbouw.

Dick Wursten